Daanke en Weske en de Rumoerige Rum

Het was een koude vrijdagnacht. Daanke en Weske hadden sinds lange tijd weer ns afgesproken. Weske was nog bij Ronald, dus daar spraken ze als eerst maar af. Daanke had een nieuwe fles rum nodig. Ze reden samen op de fiets naar de slijterij en kochten daar een goede fles rum. Daarna reden ze op Daanke’s Aprillia maar zo rechtstreeks mogelijk naar Weske’s huis in Zwoelmond.

Daar aangekomen vonden ze het maar tijd geworden om de fles rum open te maken en te nuttigen. Toen konden ze geen ijsklontjes vinden, maar na een poos zoeken en de hulp van Weske’s ma ingeschakeld te hebben lukte het toch. Daar zaten ze eventjes aan de eettafel. Weske vond het na een tijdje een goed plan om wat sushi te gaan nuttigen en stelde voor ‘een rondje te gaan lopen’.

Even warm aangekleed gingen ze maar op pad richting de kerk van Zwoelmond, de enige droge en beschutte plek in het hele klotedorp. Weske had wat sushi meegenomen, en Daanke de fles rum. En een glas, gek genoeg. Dat vond ie wel zo stijlvol. De sushi was voorgedraaid dus het smaakte niet zo lekker, ook de tip was een beetje te groot dus Weske baalde wel een beetje.

 Toen de sushi op was, en de fles rum grotendeels geleegd, liepen ze terug naar Weske’s huis. De grap was, ze tripten allebij van iets compleet anders. Daanke was namelijk gestopt met sushi, en zat nu enkel aan de drank. Weske overigens ook, alleen nuttigde hij ook sushi. Ze hadden beiden inmiddels verschrikkelijke honger gekregen, maar Weske had niet heel veel meer in huis. Bovendien liepen ze nog door het dorp. Weske stak maar een sigaretje op. Ze gingen maar een eindje wandelen. Ze kwamen langs het buutrhuis in Zwoelmond. Er brandde licht, dus ze keken even naar binnen. In de zaal zaten allemaal mensen die ze niet kenden. Omdat ze zo verdacht en vrij duidelijk naar binnen zaten te staren, draaiden enkele koppen hun kant uit. Er kwam iemand naar buiten. ‘Jullie mogen wel naar binnen komen hoor,” zei de persoon, die een vrouw bleek te zijn. “Nee hoor, we staan hier gewoon,” zei Daanke. “Komen jullie voor iemand?” “Nee, we dachten, het ziet er wel gezellig uit, we gaan even kijken”. “Oh, maar dit is een schietvereniging, we hebben hier een vergadering..” Daanke en Weske moesten even lachen. “Oh, sorry. Ehm… verkopen jullie kroketten?” vroeg Daanke. Dat was niet het geval. Toen vond Weske het tijd om weer te gaan. Hij had namelijk nog steeds verdoemde honger. Hij stelde voor eerst naar zijn huis te gaan. Dat was goed.

Toevallig wist hij wel een shoarmatentje in Beusichem, het naburige dorp. Daanke wilde met de brommer gaan, en Weske vond het een beetje riskant, maar geen slecht idee. Waarschijnlijk was de tent nog open, en ze hadden beide genoeg geld om iets lekkers te kunnen eten. Dus ze gingen op pad.

Daanke reed een beetje langzaam, maar dat was niet zo erg. Hij moest namelijk een beetje voorzichtig doen. Toen kwamen ze aan bij de shoarmatent. Gelukkig, hij was nog open. Eerst moesten ze even wat geld tellen, en bleek dat ze genoeg geld hadden voor een pizza Funghi. Daar hadden ze best trek in, dus dat bestelden ze maar. Ondertussen stak Weske nog even een sigaretje op. De pizza smaakte goed. Toen gingen ze maar naar huis.

 Thuis vroeg Weske zich af wat er was gebeurd. De paddestoelen die op de pizza zaten leken een beetje op paddo’s, dus ze gingen er een beetje van spacen. Of kwam het door de rum en de sushi? Wie zal het zeggen?

Reageer